Hoog in de Noorse bergen:wandelen in Jotunheimen
De Noorse dichter Aasmund Olavsson Vinje noemde de ruige bergketen in het hart van Zuid-Noorwegen Jotunheimen – het ‘rijk van de reuzen’. En dat is niet verwonderlijk. Nergens anders op het Scandinavische vasteland vind je zoveel hoge bergen: de 29 hoogste toppen van Noorwegen liggen hier op een kluitje bijeen.
- Wandelen
Voor wandelaars is deze ruige omgeving met hoge pieken, scherpe bergkammen, imposante gletsjers en prachtige meren een paradijs. Met een dicht netwerk van goed gemarkeerde paden en comfortabele berghutten is Jotunheimen een van de meest toegankelijke wandelbestemmingen van Noorwegen.
Een van de bekendste bestemmingen is ongetwijfeld de Galdhøpiggen (2.469 m). Op mooie zomerdagen is er een ware stormloop van Spiterstulen naar de top van de hoogste berg van het land. Nog meer in trek is de Besseggen (1.743 m). Deze berg is misschien niet zo hoog, maar het uitzicht vanaf de rotsachtige bergkam op het turquoise bergmeer Gjende aan de ene kant en het diepblauwe Bessvatnet aan de andere kant is een van de beroemdste bergpanorama’s van het land. Op piekdagen klautert een schijnbaar eindeloze stroom wandelaars als mieren over de lange rotsachtige bergkam naar de top. Met ongeveer 50.000 bezoekers per jaar is de Besseggen een van de populairste bestemmingen voor wandelaars in het land. Voor Noren is het beklimmen van de berg net zo vanzelfsprekend als een pelgrimstocht naar Mekka voor een vrome moslim.
De Besseggen maakt ook deel uit van de klassieke zesdaagse rondwandeling van Gjendesheim via Memurubu, Gjendebu, Leirvassbu, Spiterstulen en Glitterheim terug naar het startpunt. Het is een prachtige én uitdagende wandeling, waarbij het ‘rijk van de reuzen’ hier en daar zijn tanden laat zien. Forse hoogteverschillen en steile hellingen (niet altijd geschikt voor mensen met hoogtevrees), het waden door ijskoude bergbeken en de uitgestrekte blokkenvelden, die bij regen ook nog glad kunnen zijn, zijn slechts enkele van de vele uitdagingen die je hier te wachten staan. Aan het einde van elke etappe wachten grote, moderne berghutten, die meer weg hebben van berghotels.
In de schaduw van deze klassieke rondwandeling ligt een tweede lange route, die het hele massief in zes dagen in oost-westelijke richting doorkruist. Op deze wandeling van Turtagrø naar Bygdin zijn de hoogteverschillen meestal kleiner, is het terrein minder moeilijk en bieden de kleinere hutten vaak een meer authentieke huttenatmosfeer. Onderweg kom je wellicht meer rendieren dan wandelaars tegen. Bij slecht weer kun je de tocht bovendien hier en daar inkorten. Je kan dan bijvoorbeeld de beklimming van de Fannaråken (eerste etappe) overslaan of de boot nemen tussen Fondsbu, Torfinnsbu en Bygdin (vijfde en zesde etappe).