
La Dolce Vita… in Istrië
La Dolce Vita: voilà, zo begin je een stuk over Kroatië. Met een foute uitdrukking, of misschien gewoon een juiste uitdrukking in de ‘verkeerde’ taal. Want eerlijk? Dat is zowat het enige in deze reportage dat fout is. Alles klopt voor de rest. En bovenal: alles smaakt!
- Kamperen
- Eten & drinken
- Uitstappen en vakanties
Dat Italiaanse concept op dit stukje Kroatië is niet eens zo verkeerd. Italiaans is hier, op dit culinaire schiereiland vol truffels, olijfolie en een scheut Romeins verleden, de tweede officiële taal. Een erfenis van eeuwen waarin Romeinse mozaïeken, Venetiaanse gevels en mediterrane smaken hun stempel hebben gedrukt. Misschien niet meteen iets waarvan de zomerse massazonneklopper wakker ligt. Maar wij zijn hier dan ook niet in de zomer. Nee, wij genieten van wat we minstens even graag hebben: het rustige seizoen. Rust versterkt de smaak, dán proef je pas echt de geschiedenis bij elke hap.
Happen & trappen
Bij happen hoort trappen. En daar beginnen we ook mee. De lange rit vanuit België—zeker met een caravan achter je—moet even verteerd worden. En hoe doe je dat beter dan op de fiets? Maar eerst even schetsen waar we zijn: dit is een plek met witte stranden, een azuurblauwe zee en groene cipressen en dennenbomen die tot aan het water lijken te kruipen. Zelfs in het laagseizoen begroet een zon ons uitnodigend. We staan op een plek die bol staat van geschiedenis. Romeinen, Byzantijnen, Venetianen, Oostenrijkers, Italianen, wat Duitsers, Joegoslaven en nu Kroaten hebben hier hun stempel gedrukt. Sommige mensen die ik hier ontmoet, zijn geboren op deze plek en hebben maar liefst vier verschillende nationaliteiten gehad zonder ooit te verhuizen. Toch is dit niet alleen een idyllische plek. Zelfs een ansichtkaart heeft een achterkant en die ontdek je hier in het hoogseizoen: campings met duizenden plaatsen liggen zij aan zij en trekken massa’s jeugd en liefhebbers van drukte aan. Voor hen? Een paradijs. Maar voor mij? Geef mij liever het laagseizoen. Hier, in de stilte, ontdek je de echte charme van deze plek. Je fietst rustig langs verlaten paden, waar je tijd hebt om het landschap écht in je op te nemen. De historische plekken komen tot leven zonder de drukte, alsof je de sandalen van Romeinen nog hoort stappen op de oude keien. Geen lawaai, geen haast—alleen jij, de natuur en de geschiedenis die hier voelbaar in de lucht hangt.
Verleid door Casanova
We verblijven voor onze eerste stop op Camping Porto Sole. Deze camping ligt in de schaduw van het vissersdorp Vrsar, direct aan de Adriatische Zee. Zelfs nu is het hier nog best levendig. Blijkbaar denken meer mensen zoals ik: ‘Laagseizoen? L ekker rustig.’ Maar eerlijk? Het heeft zijn charme. Een gezellige drukte is tenslotte iets anders dan de mensenmassa’s van het hoogseizoen.
De camping is zoals je ze hier wel meer vindt langs de kust: kwaliteitsvol, modern, goed onderhouden. Op de camping zelf staat een infobord van Istra Bike, met daarop de Casanova Staza (Route 171) aangeduid. Deze route, genoemd naar de beroemde avonturier Giacomo Casanova—ja, die van de vele vrouwen—die Vrsar tweemaal bezocht, is een lus van ongeveer 20 kilometer die start in Funtana en door olijfgaarden en wijngaarden voert. Het pad klimt richting Kloštar, een gehucht aan de noordzijde van de Limbaai, en gaat door het prachtige Kontija-bos. Gelukkig is er een pad getrokken, want het bos zelf is echt ondoordringbaar; dicht struikgewas kronkelt zich langs de bomen.
Onderweg passeer je de grot van St. Romuald en het vreemde vliegveld Crljenka. Het is een beetje een schok om te merken hoe goed de fietspaden en de bewegwijzering hier georganiseerd zijn. Daar kunnen heel wat Vlaamse fietsroutes een puntje aan zuigen. Hoedje af voor het toerisme in Istrië—zelden zo’n goed bewegwijzerd netwerk gezien. De route eindigt in Vrsar, het stadje dicht bij onze camping.
Vrsar zelf heeft iets charmants. De oude stad ligt op een heuvel en biedt een prachtig uitzicht op de eilandjes in de baai. De smalle straatjes en Venetiaanse invloeden geven het een mediterrane sfeer—maar dat is geen verrassing, gezien het praktisch kopje-onder ligt in de Middellandse Zee. De burcht bovenaan de heuvel voegt nog een vleugje geschiedenis toe. Je voelt de tijd hier vertragen.
Truffels en patriottische obers
’s Avonds gaan we voor het diner naar een lokaal restaurant, Trošt. Niet een van de gladde toeristenrestaurants aan de wandelkade van de haven, maar een bescheiden, authentiek ogend etablissement aan de overkant. Maar schijn bedriegt. Onze eerste kennismaking met de keuken hier is meteen een schot in de roos.
De ober, een praatgrage man, geeft ons meteen een paar tips mee. ‘Luister eens goed. Wat hoor je? Buiten de zee?’ vraagt hij. ‘Veel lawaai van Italianen’, is mijn antwoord. ‘Klopt helemaal’, knikt hij. "Als je in deze streek Italiaans hoort in een restaurant, ga dan naar binnen. Hoor je alleen Duits? Blijf er dan weg.’ ‘Niet echt een Europese mindset’, merk ik op. ‘Kan zijn’, zegt hij droog, ‘maar het is wel waar.’ Dan wijst hij op de fles olijfolie op tafel. ‘Net zoals met de olijfolie. Die van ons is de beste, niet die van de Italianen!’ voegt hij eraan toe, met een triomfantelijke grijns.Hij heeft nog meer verhalen paraat. ‘Wist je trouwens dat ten tijde van Tito de meeste Italiaanse truffels eigenlijk van hier kwamen? We smokkelden ze de grens over. Wij mochten alles, hier in het communistische Joegoslavië, zelfs over de grens. Truffelsmokkel was een prima investering. We ruilden ze voor jeans, parfum en andere luxe uit het Westen.’ Hij stopt even, werpt een veelbetekenende blik om zich heen, alsof de OZNA meeluistert. ‘Maar als je meer wilt weten over truffels, moet je meegaan op een echte zoektocht.’ Een patriotische ober, dat zeker. Maar net zoals de verhalen, is alles wat hier geserveerd wordt heerlijk.
Blauw wordt groen, golven worden heuvels
De volgende ochtend volgen we het advies van de gastronomische patriot en trekken het binnenland in. Zoals zo vaak in kuststreken is de eerste strook van 500 meter vanaf de zee een opeenstapeling van alles wat je liever niet ziet: flats, kleine huizen die tegen elkaar geplakt lijken, schreeuwerige reclameborden, casino’s en winkels die goedkope zonnebrillen en strandballen verkopen. De kust is hier volgebouwd; het lijkt alsof iedere vierkante meter wel een gebouw, een bord of een parasol moet dragen. Maar na de eerste kilometer verandert alles. De drukte en chaos verdwijnen, en het landschap transformeert. Golven maken plaats voor heuvels, blauw wordt groen, en de temperatuur stijgt een tikje. We cruisen door dorpen die ooit bruisend waren, maar nu vooral bewoond worden door Duitsers. Authentieke huizen, opgekocht en opgeknapt, waardoor ze meer als tweede verblijven dienen. Niets mis mee, denk ik. De Duitsers hebben geld meegebracht en zorgen dat de dorpen er goed onderhouden bijliggen. We rijden verder door het golvende landschap, waar wijngaarden en velden het uitzicht vullen. Uiteindelijk bereiken we Karlić Tartufi, een familiebedrijf in het kleine dorpje Paladini, vlak bij Buzet. Dit is het hart van het Istrische truffelland. Hier, diep in het binnenland, rijzen heuvels op waar ooit de zee zich uitstrekte, en de lucht draagt een andere, meer aardse geur.
We krijgen een eerste kennismaking met de geschiedenis van de truffel en de verschillende soorten door Ivana Karlić, een lid van de familie die dit bedrijf uit de grond stampte. Ze vertelt ons dat hun truffeltraditie teruggaat tot 1966, toen Ivan Rašpolić, haar grootvader, de basis legde voor het bedrijf. Destijds was het Motovun-bos nog veel groter dan nu, en zowel de witte als de zwarte truffels uit de regio stonden bekend om hun uitstekende kwaliteit. Maar niet alles ging goed: een van de rijkste truffelvelden ligt nu... onder het Butoniga-meer! Dit kunstmatige meer, aangelegd in de jaren '80 als waterreservoir, verdronk niet alleen velden, maar ook een stukje truffelgeschiedenis. Na de inleiding en een bezoek aan een klein museumpje ontmoeten we de truffeljager en zijn hond. Het is de hond die meteen mijn aandacht trekt. Geen varken, stel ik vast. Nee, hier gebruiken ze honden.
De truffeljager neemt ons mee het bos in. We laten ons leiden, maar door wie eigenlijk? De hond of de man? Dat is me niet echt duidelijk. Wat wel duidelijk is: de hond is hier de ster. Het is heerlijk wandelen door het dichte loofbos. De hond speelt de hoofdrol, maar de truffeljager vertelt ondertussen. Dat het meer dan een hobby of een job is, dat het vooral genieten is. Ik geloof hem graag. Hij is maar net op tijd om een van zijn twee honden te stoppen. Hij heeft een truffel gespot, begint die uit te graven, maar wil hem meteen zelf opeten. Dat is niet de bedoeling; nee, hij moet voorzichtig uitgegraven worden. Daarvoor gebruiken ze geen hondenpoten, maar een speciaal klein schopje, tartufarska lopatica.
Na de wandeling en het afscheid van de honden is het terug aan Ivana Karlić, die ons meeneemt naar de proeverij. We krijgen verschillende gerechtjes met truffel, waaronder canapés—kleine, smaakvolle hapjes. Het hoogtepunt is een omelet met truffel, waarbij de truffels ter plekke over het gerecht worden geschaafd. De geur vult de kamer en de smaak is intens, maar toch verfijnd.
De bliksem van Jupiter
We dalen terug af richting de zee en nemen afscheid van de heuvels. De volgende ochtend ontmoeten we Adriano, onze gids, in het historische centrum van Poreč. ‘Wist je dat truffels volgens een legende ontstonden toen de bliksem van de god Jupiter op een eik sloeg?’ vraagt hij, terwijl hij nieuwsgierig informeert naar onze avonturen van gisteren. Ik moet toegeven dat dat stukje Romeinse folklore ons boven op de berg niet is verteld. ‘Dan ben je hier wel op de perfecte plek om nog wat meer van de Romeinen te leren’, zegt Adriano met een brede glimlach, terwijl hij ons door de stad loodst.
Poreč, een kuststadje met een rijke geschiedenis, heeft zijn wortels diep in de Romeinse tijd. Terwijl Adriano ons door de smalle, geplaveide straatjes leidt, wijst hij op het strakke, rechthoekige stratenplan. ‘Typisch Romeins’, merkt hij op. ‘Alles georganiseerd, geen chaos. Tenzij je het forum betreedt na drie bekers wijn. Die van ons is trouwens beter dan de Italiaanse’, weet hij wel zeker. Ik krijg alleen maar bevestigd wat ik al dacht: de Istriërs zijn trots op hun culinaire erfgoed. En terecht.
Met de b van basiliek, bisschop en Byzantijns
We wandelen verder en bereiken de Eufrasiusbasiliek, een UNESCO-werelderfgoedsite en het pronkstuk van de stad. Adriano is duidelijk trots. ‘Dit is ons paradepaardje. Gebouwd in de 6de eeuw tijdens het bewind van bisschop Euphrasius, vandaar de naam.’ De basiliek maakt deel uit van een complex dat ook een atrium, doopkapel en het bisschoppelijk paleis omvat. ‘Het unieke hier is dat alle elementen van het vroegchristelijke complex bewaard zijn gebleven’, legt Adriano uit. De buitenkant van de basiliek mag dan eenvoudig lijken, binnen wacht een schat aan Byzantijnse kunst. De mozaïeken, die scènes uit het leven van Maria en Christus uitbeelden, behoren tot de best bewaarde in het Middellandse Zeegebied. Terwijl ik naar de gouden mozaïeken staar, merkt Adriano op: ‘Ja, ik weet het, het glimt. Maar kijk naar die details—de Romeinen waren van praktisch en sober, de Byzantijnen waren... laten we zeggen, van de bling-bling.’
We lopen verder naar wat ooit het Romeinse forum was, nu een plein waar locals koffiedrinken en toeristen foto's maken. ‘Hier stond ooit de tempel van Neptunus’, zegt Adriano. ‘Maar Neptunus kon blijkbaar niet op tegen de cappuccino's, wijnbars en de toeristen. Nu kun je hier rustig alles bekijken, maar in de zomer is het echt te druk’, bevestigt hij.
Na best een heftige namiddag met veel verhalen over Romeinen, Byzantijnen en bling-bling, laat Adriano ons achter met één laatste advies: ‘Ga eten bij een restaurant aan de waterkant. Vraag om de baars in zoutkorst. En geloof me, die is hier beter dan bij Neptunus zelf.’ We volgen zijn raad en nemen plaats op het terras met uitzicht op de Adriatische Zee. De baars arriveert, perfect bereid: sappig, puur en supervers. Met een glas lokale witte wijn erbij is dit het soort maaltijd dat stilte oproept. Niet uit beleefdheid, maar omdat elk woord zou afleiden van de smaak. Ik realiseer me dat Adriano gelijk had: Poreč is een stad waar geschiedenis en smaak hand in hand gaan, en de zee altijd het laatste woord heeft.
De Romeinen in volle glorie
Alsof dit nog niet genoeg is, duiken we de volgende dag nog dieper de geschiedenis in. Maar eerst verplaatsen we ons van camping. Deze keer staan we op de Arena Campsite, die letterlijk tegen Pula aanplakt. Zoals het hoort: proper, modern en, in het laagseizoen met meer dan genoeg ruimte om comfortabel te staan.
Vesna, die haar verhaal even gepassioneerd maar zachter vertelt dan Adriano, neemt ons op sleeptouw in Pula, de grootste stad van Istrië. ‘Welkom in Pula’, roept ze uit, terwijl ze gebaart naar het imposante amfitheater dat als een kroon op het hoofd van de stad staat. ‘Hier hebben de Romeinen niet alleen een stempel gedrukt’, vervolgt ze, ‘ze hebben de stad en de hele streek met hun stijl gebrandmerkt. Alles hier draagt nog hun signatuur, van de straten tot de monumenten.’
Ze begint onze tour bij het beroemde Amfitheater van Pula, een architecturaal meesterwerk uit de 1ste eeuw na Christus. ‘Dit is gebouwd onder keizer Vespasianus’, vertelt Vesna, terwijl ze naar de indrukwekkende bogen wijst. ‘Je kent hem misschien als de man achter het Colosseum in Rome. Maar eerlijk? Dit theater is net zo indrukwekkend. En het wordt nog steeds gebruikt, voor concerten, films en soms... gladiatorenshows. Toeristen, natuurlijk. In de zomer vooral, en vooral als het regent, zijn het er misschien wat te veel’, voegt ze er met een knipoog aan toe. ‘Maar jullie weten dat al, toch? Daarom zijn jullie hier nu, in het laagseizoen. Slim.’ De schaal en staat van het amfitheater zijn adembenemend. Terwijl ik de bogen en gangen bekijk, kan ik bijna het geluid horen van de menigte die juicht, of misschien van Vesna, die enthousiast verder vertelt. ‘Wist je dat dit theater plaats bood aan 20.000 toeschouwers? En dat het ondergrondse gangen heeft waar de dieren en gladiatoren werden voorbereid?’
We wandelen verder door het oude stadscentrum, waar Vesna ons naar de Triomfboog van de Sergii leidt. ‘De familie Sergii betaalde dit in de 1ste eeuw vóór Christus’, zegt ze. "Het was hun manier om op te scheppen met hun macht en rijkdom.’ Ze wijst op de prachtige gravures en vertelt hoe het destijds een indrukwekkend welkom bood aan mensen die Pula binnenkwamen.
Onze volgende stop is de Tempel van Augustus, een prachtige Romeinse tempel gewijd aan keizer Augustus. ‘Een van de best bewaarde tempels in heel Kroatië’, zegt Vesna. ‘En het leukste? Je kan er gewoon in, geen hekken, geen gedoe. Augustus zou trots zijn geweest. Misschien.’
Met een sausje van olijfolie en trots
Na de tour nemen we afscheid van Vesna, die ons meteen aanraadt om de dag af te sluiten zoals de Romeinen dat zouden doen: met een goede maaltijd en misschien een glas wijn. ‘Je hebt geen geschiedenis beleefd als je niet hebt gegeten’, voegt ze er droogjes aan toe. Blijkbaar zit het in de genen van Istrische gidsen om elk verhaal, hoe episch ook, te laten eindigen met eten. Patriotisme wordt hier standaard overgoten met een saus van olijfolie en trots.
Vesna beveelt ons restaurant Amfiteatar aan, gelegen op slechts 50 meter van het Romeinse amfitheater. De keuken staat onder leiding van de eigenzinnige chef-kok Deniz Zembo, een meester in het combineren van mediterrane en Istrische smaken. Hij werkt uitsluitend met verse, lokale ingrediënten en staat bekend om zijn creatieve gerechten die traditie en innovatie samenbrengen. Bij aankomst worden we hartelijk ontvangen, maar zodra chef Zembo hoort dat we nog geen olijfolie hebben geproefd, kijkt hij ons met een mengeling van verontwaardiging en theatrale ernst aan. ‘Hoe kan je Istrië bezoeken zonder onze olijfolie te proeven?’ roept hij uit, terwijl zijn handen als woeste golven de lucht doorklieven. ‘Ga naar het olijfoliemuseum’, beveelt hij. ‘En proef. Dan pas begrijp je écht waar dit land voor staat.’
Het Museum van Istrische Olijfolie, midden in het hart van Pula, vertelt het verhaal van de eeuwenoude traditie van olijventeelt in de regio. Van de Romeinen, die olijfolie naar Istrië brachten, tot de moderne boeren die met trots enkele van de beste extra vierge olijfoliën ter wereld produceren. De interactieve tentoonstellingen en de kans om de goudgroene vloeistof te proeven zorgen ervoor dat ik zin krijg om meer over deze gouden vloeistof te weten te komen. Ik beslis een olijfolieproducent te bezoeken. Keuze genoeg aan producenten in de regio, maar mijn oog valt op Teraboto, een kleine familiewijngaard en olijfgaard in Vodnjan.
Bij Dario en Izabela
Het bedrijf wordt gerund door Dario en Izabela Vitasović, een stel met evenveel passie als kennis. Hun reputatie van kwaliteit en authenticiteit maakt de keuze makkelijk. Ik bel Izabela om te vragen of we welkom zijn. Haar antwoord is even spontaan als uitnodigend: ‘We zijn volop bezig met de oogst, dus kom gerust kijken. Dan zie je hoe het eraan toe gaat!’ Bij aankomst worden we meteen meegenomen naar hun kelder. Voor onze neus verschijnen schaaltjes met olijfolie van verschillende variëteiten, zelfgebakken brood en een karaf water om alles goed te kunnen proeven. Flessen wijn worden zonder pardon aangesleept. Izabela begint de proeverij met een uitleg over de unieke eigenschappen van de olijfsoorten die ze telen. ‘Dit is onze Busa, een lokale variëteit met een kruidige, intense smaak’, zegt ze terwijl ze ons laat ruiken en proeven. De olie heeft een lichte prikkel in de smaak, krachtig maar toch aangenaam. Izabela leert ons hoe we de glazen met onze handen moeten verwarmen om de geuren en smaken los te laten komen. ‘Maar Teraboto is niet alleen olijfolie’, voegt ze eraan toe. Voordat ik het weet, staan er ook glazen wijn op tafel. ‘We kunnen jullie toch geen olijfolie laten proeven zonder een slok van onze wijnen? Dat zou... onbeleefd zijn’, lacht ze. Ik heb geen bezwaar. De Malvazija Istarska is licht, fris en perfect om de olie te begeleiden. De Teran, robuust en kruidig, laat zien hoe veelzijdig deze familie is.
Dario, die ons inmiddels heeft vergezeld, neemt ons mee naar buiten om de wijngaarden en olijfgaarden te bekijken. Hij wijst trots naar de rijtjes bomen die zich uitstrekken over de glooiende heuvels. ‘Dit is wat ons werk bijzonder maakt’, zegt hij terwijl hij een rijpe olijf tussen zijn vingers wrijft. ‘Alles komt uit de grond van Istrië, met liefde voor het land en de traditie.’
‘Kom morgen maar terug’, zegt Izabela uitnodigend. ‘Dan neem ik je mee naar de olijfgaard waar de oogst in volle gang is.’ Als we de volgende dag aankomen, valt meteen op hoe kleinschalig en ambachtelijk alles is. Het werk gebeurt grotendeels met de hand, geholpen door een eenvoudige trilstok om de olijven uit de bomen te schudden. Geen grote machines, maar familie en vrienden die samen de klus klaren. ‘Alles wordt hier met zorg gedaan’, legt Izabela uit. ‘Dat is de enige manier om de beste kwaliteit te garanderen.’
Bij vertrek voel ik me alsof ik niet alleen meer begrijp over olijfolie en wijn, maar ook over de toewijding die nodig is om zulke producten te maken. Terug op de camping kijk ik naar de verschillende producten die ik heb meegenomen—wijn, olijfolie—en realiseer me dat Istrië veel meer te bieden heeft dan alleen azuurblauw water en zonovergoten stranden. Hier draait het om de smaken en verhalen van het land, verweven met een rijke geschiedenis en diepe tradities. Het is een plek die aan me blijft kleven, als een smaak die je niet vergeet.
3 x culinair: Istrië op je tong
Als je Istrië bezoekt, ontdek je een culinaire wereld die verrast en verleidt. Hier proef je tradities die diepgeworteld zijn in de geschiedenis, gecombineerd met een unieke, mediterrane flair.
• Neem bijvoorbeeld de olijfolie. Je verwacht misschien dat Italië of Griekenland hier de kroon spant, maar Istrië staat al jaren aan de top. De Romeinen introduceerden de olijventeelt hier, en die bomen – sommige eeuwenoud – leveren vandaag een van de beste oliën ter wereld. Niet zomaar een bijgerecht, maar een gouden elixer dat alles wat je eet naar een hoger niveau tilt.
• En dan is er de zee: Istrië is omringd door het azuurblauw van de Adriatische Zee, en dat proef je. Verse sardines, gegrilde octopus, of een dampende vissoep, het smaakt allemaal alsof de netten nog geen uur geleden zijn binnengehaald. Maar zodra je het binnenland intrekt, verandert het verhaal. Hier regeert de truffel, die in deze regio groeit als ware het een geheimzinnige schat. Of je nu zwarte of witte truffel kiest, één flinterdunne schijf kan een simpel bord pasta omtoveren tot iets bijna magisch.
• Niet te vergeten: de wijn, de perfecte begeleider van al dat lekkers. De witte Malvazija Istarska is fris en licht, alsof hij speciaal gemaakt is om naast zeevruchten te serveren. Voor wie liever iets robuusters wil, is er Teran, een stevige rode wijn die het binnenlandse karakter van Istrië perfect vangt.
Wat Istrië zo bijzonder maakt, is de eenvoud en eerlijkheid van de keuken. Hier geen overweldigende kruiden of pretentieus gedoe, maar smaken die het land en de zee respecteren. Het is een keuken die zich stilletjes aan je opdringt, en voordat je het weet, vraag je je af waarom je Istrië niet al veel eerder als culinaire bestemming op je radar had. Want dat verdient het absoluut.